cesartherapie logo
Oefentherapie Cesar
Achtergrond informatie Werkwijze Toepassingen Kwaliteit Kinderen Publicaties Contact Links
|   Medische begrippen   |   EBP   |   Oefeningen   |   Medische advertenties  
   
HOME  

 
Kinderen
Speel goed
Mond motoriek
Motorische start
Sensomotorische therapie
Van billenschuiven naar kruipen
Vallen en opstaan
Verveling
Begeleiding bij sensomotorische therapie
Problemen met leren schrijven
Houdingstraining voor jongeren
cesar url bar
 

Motorische ontwikkeling


In dit artikel vindt u informatie over: Uit welke fases bestaat de motorische ontwikkeling? Welke problemen kan een kind ondervinden als de motorische ontwikkeling niet adequaat verloopt? Hoe zijn motorisch ontwikkelingsproblemen te signaleren? Welke stappen kunnen er vervolgens op school en of thuis gezet worden?

In de laatste klassen van de basisschool en de eerste klassen van de middelbaar onderwijs zien we dat kinderen hun eigen stijl gaan ontwikkelen, kleding, interesses, manier van bewegen etc. In die periode is het dat sommige kinderen gaan opvallen in hun bewegen, zowel grote motoriek als fijne motoriek, taal ontwikkeling en sociaal emotioneel. Problemen hebben met spreken, je uitdrukken maakt dat het contact met anderen minder makkelijk verloopt. Moeite met sport en spel (grote motoriek) maakt je op het schoolplein een buitenstaander en je haakt af bij de teamsport. Problemen met de fijne motoriek maakt dat het contact met de leerkracht soms stroef gaat verlopen en/of dat het creativiteit als handvaardigheid, tekenen, schrijven geremd worden en hiermee is veelal ook de openheid naar leeftijdsgenootjes beperkt. Contact is een belangrijke voorwaarden om te kunnen ontwikkelen tot een volwaardig zelfstandig individu.

De juiste zorg voor kinderen met achterstand verdient veel meer aandacht, motoriek is de drijfveer van ons bewegen ons leven en mag op alle fronten gestimuleerd worden. Het is de 2e belangrijke voorwaarde om te komen tot een volwaardig zelfstandig individu.

Zoals uit bovenstaande al blijkt hangt contact af van de motorische mogelijkheden en vice versa. Remedial teachers en kinderoefentherapeuten zullen er dan ook alles aan doen om het kind de juiste voorwaarden te laten ontwikkelen om zich verder te kunnen ontplooien.

De motoriek begint al in de baarmoeder en vanaf de geboorte kunnen oplettende ouders en opvoeders zien dat hun kind anders beweegt dan anderen, het zijn vaak de ouders die dit al melden bij een consultatie bureau of arts en helaas worden deze ouders nog al eens gerustgesteld zonder dat er een motorische onderzoek gedaan is.

Hoe eerder het kind en de ouders geholpen worden om de motoriek te stimuleren, hoe kleiner de kans op uitval op sociaal emotioneel, spraaktaal en motorische vaardigheden is.

Om wat meer inzicht in de motorische ontwikkeling te krijgen beschrijf ik hier de fase van de motorische ontwikkeling.

We ontstaan uit een eicel en een zaadcel en al in de baarmoeder beweegt de foetus, vanaf 16 weken kan de moeder het kind voelen, draaien, schoppen, hikken etc. Het contact met het kind gaat dan groeien. Na de geboorte zien we het kind bewegen zoekend naar de tepel, sabbelend op vuistje, uitrekken, geeuwen gapen. Het is een wonder en dit wonder maakt de ontwikkeling van uit de reflex motoriek en de verschillende motorische ontwikkelingsfases door, om te kunnen groeien tot een volwaardig zelfstandig individu.

Een vooraanstaande neuroloog op gebied van de motorische ontwikkeling is Dr. P. Mesker, hij is degene die de motorische ontwikkeling na reflexfase in (embryonaal) en vlak na de geboorte, in 4 fase verdeelt namelijk:

  • De slurffase
  • De symmetrischefase
  • De lateralisatiefase
  • De dominantiefase

De reflexfase

De reflexfase staat in het teken van reflexen die het kind helpen "overleven". Er zijn ook reflexen waarvan niet direct aantoonbaar is dat ze van wezenlijk belang zijn voor het voortbestaan, toch is hiervan de invloed op de motorische ontwikkeling van het kind bekend. Deze reflexen moeten op de juiste manier geremd worden, om een goede ontwikkeling van de motoriek niet in de weg staan.

De zuigreflex

De zuigreflex kan worden opgewekt door lichte aanraking van de vinger op het wangetje van de baby: het hoofdje draait in de richting van de prikkel en de mond maakt zuigbewegingen.

De Babinskireflex

De Babinskireflex, het strijken langs de laterale voetrand zal leiden tot omhoog gaan en spreiden van de tenen. De reflex zal rond de periode dat het kind leert lopen, veelal rond de 12 maanden, verdwijnen en worden vervangen door een voetzoolreflex zoals deze bij volwassenen wordt gezien. Tot het tweede levensjaar wordt een Babinskireflex als fysiologisch gezien. Als de reflex blijft bestaan zal de normale afwikkeling van de voet bij het lopen geremd zijn door de strekspanning in voorvoet en tenen.

De voetzoolreflex

De voetzoolreflex: aanraking van de buitenonderrand van de voet geeft een reactie van buigen van de tenen en enig holtrekken van de voetzool. Als deze reflex te sterk aanwezig blijft spreken we over een voetgrijpreflex d.w.z. de voet grijpt bij elke stap door prikkeling van de voetzool. Het kind past zich aan, draait de voeten naar binnen en gaat die afwikkelen over de buitenkant om zo de overprikkeling te vermijden: het kind zal vaak over de eigen voeten struikelen, dit heeft uiteraard gevolgen voor hardlopen, springen en dergelijke.

De asymmetrisch-tonische nek reflex (ATNR)

De asymmetrisch-tonische nek reflex (ATNR): het hoofd draait richting schouder dit geeft strekking in de arm en been aan de kant waarnaar het hoofd heen draait en buiging in de arm en been aan de andere kant. Niet beheersen van deze reflex geeft problemen bij het fietsen (onverwachts achterom kijken) geeft tegengesteld draaien van het stuur, kijken naar Re duwt de Re arm het stuur naar links). In de klas overschrijven van af een bord of boek wat schuin voor het kind ligt door het draaien van het hoofd zal de arm te veel strekken en de andere buigen. Dit heeft invloed op het ondersteunen van het papier en het vormen van de letters en dus op het gehele schrijfresultaat.

De symmetrisch tonische nek reflex (STNR)

De symmetrisch tonische nek reflex (STNR): wanneer het hoofd wordt gebogen buigen de armen en strekken van de benen. Wanneer deze reflex niet onderdrukt wordt is het kind niet in staat om op de armen te steunen om te gaan kruipen.

Omdat kruipen de manier van voort bewegen is voor de baby, mist een kind, die niet kan, veel bewegings- en belevingservaringen rond de tiende maand. Het kruipen is de overgang van het bewegen in het horizontale vlak (rollen van de rug op de buik) naar het verticale vlak, bevordert het gekruist bewegingspatroon en de rotatie in de wervelkolom die van belang zijn om op een natuurlijke manier te gaan lopen. Tijdens het kruipen leert het kind te reageren op auditieve en visuele prikkels terwijl het beweegt. Het kind leert vallen, traint de balans. De stand van de handen ver achterover (dorsaal-flexie) met de vingers gespreid en licht gebogen is van belang voor de ontwikkeling van het gebruik van de handen o.a. later voor vasthouden van pen of potlood!

De slurffase

De slurffase volgt de reflex fase op en duurt tot ongeveer het derde levensjaar. Het kind beweegt antagonistisch: als spieren in de ene lichaamshelft aanspannen dan gaan de overeenkomstige spieren in de andere lichaamshelft een ontspanning. Bij het een vuist maken met de ene hand zal de andere hand van het kind zich strekken. Heeft het in de ene hand een koekje en in de andere hand een beker melk, dan zal de beker omgekeerd worden als het kind een hapje van het koekje wil nemen: deze arm zal zich strekken. Als het ene been buigt wordt het andere been gestrekt, het begin van het voortbewegen komt opgang.

De symmetriefase

De symmetriefase loopt van het derde tot ongeveer het zesde levensjaar. Kenmerkend in de symmetriefase is de samenwerking van de twee lichaamshelften, zij doen hetzelfde in spiegelbeeld. Nu is er sprake van dorso-ventraal-antagonisme: als de spieren zich aan de voorzijde aanspannen, worden de spieren aan de achterzijde tegelijkertijd ontspannen. Het kind grijpt in deze fase met twee handen en tast met twee handen materialen en eigen lichaam af. Tweevoetig afzetten wordt mogelijk springen komt op gang, in de handen klappen. In het begin van deze fase is het bewegen een totaal bewegen van het lichaam, groot en impulsief. Het kind omarmt bij het pakken als het ware de bal. Het hele lijf beweegt mee: gezicht, romp, armen en benen. Later in deze fase worden de bewegingen fijner gestuurd en beheerst.

De lateralisatiefase

De lateralisatiefase duurt van het zesde tot ongeveer het achtste levensjaar. In de lateralisatiefase worden de totaliteitsbewegingen verlegd naar de ontdekking van de mogelijkheden van de ledenmaten. Aan het einde van deze fase wordt de voorkeurshand en voorkeursbeen gekozen. Zo wordt in het begin van deze fase een voorwerp gepakt met de hand waarvoor je het voor houdt. Aan het einde van deze fase zal het kind de bal met de voorkeurshand pakken. De voorkeurshand neemt de leiding, de andere hand wordt de helpende hand, die ondersteuning geeft aan de handelingen van de voorkeurshand. Het voorkeursbeen neemt de leiding het andere been ondersteunt. De bewegingen worden meer uitgevoerd worden vanuit de polsen en de vingers terwijl voorheen de hele arm moest bewegen.

In deze periode komt ook het opponeren van de duim tot stand: de duim leert letterlijk te functioneren tegenover de vingers en leert samen te werken met de vingers van dezelfde hand. De functie van de andere hand wordt overgenomen door de duim. Zo kan dikte, hoogte en omvang ervaren worden met duim en vingers van een hand. Een goed gelateraliseerd kind zal met duim en wijsvinger aangeven van de dikte van een boekje is, kan links en rechts goed onderscheiden en kan klein-motorsiche handelingen gaan uitvoeren: het schrijven wordt mogelijk.

De dominantiefase

De dominantiefase gaat van het negende tot het elfde levensjaar. Omdat er een voorkeurshand is kan het kind met allebei de handen verschillende dingen tegelijk doen. Het bewegen wordt gecompliceerder, met veel oefenen worden de bewegingen verder beheerst en geautomatiseerd. Dit zien we ook bij het schrijven: terwijl het kind luistert kan het schrijven en de aandacht richten op de inhoud, zoals we dat op school nodig hebben bij dictee.